Cursusbeschrijving voortgezette basiscursus

 

Aanleiding/Doel

Op de basiscursus leert de imker de basishandelingen om bijen te kunnen houden. Het is gebaseerd op een gemiddelde ontwikkeling van het bijenvolk bij een gemiddeld jaarlijks weerpatroon. Bij toepassing van die basishandelingen kan de cursist zijn bijenvolk zonder overlast voor medeburgers gezond in leven houden, verhindert hij het zwermen en kan zijn volk een honingoogst opleveren.
Veel beginnende imkers lopen bij de toepassing van die basishandelingen tegen problemen aan als ze het jaar daarna zelfstandig bijen gaan houden. Met name door verschillen in weer, dracht maar ook ziekte, is de jaarlijkse ontwikkeling van het bijenvolk telkens weer verschillend wat vragen oproept over het moment waarop de nieuwe imker het recept moet toepassen. Daar komt bij dat de moderne imker, levend in een informatie maatschappij, bij het zoeken naar antwoorden op zijn vragen bij collega imkers en op internet gemakkelijk overspoeld wordt met (soms tegenstrijdige) informatie. Het ontbreekt hem aan ervaring in het omgaan met bijen om in die bij aan informatie het kaf van het koren te scheiden.
Daarnaast groeit de imker in zijn ontwikkeling en wil hij meer dan alleen maar een of twee volken in de tuin hebben staan.

Het uitgangspunt van deze cursus is een cursist die eigen bijenvolken heeft.
Waar de basiscursus uitgaat van een zekere gelijkheid van alle bijenvolken, leert deze opleiding de cursist verschillen tussen bijenvolken te herkennen en daarmee om te gaan.

De doelstellingen van de voorgezette basiscursus zijn:

  • Kennis verwerven van het verloop van de jaarlijkse cyclus van het bijenvolk. 
  • Leren beoordelen van verschillen in ontwikkeling(grootte van het volk ,voorraden, vitaliteit en ziekten) tussen bijenvolken.
  • Leren om passende maatregelen te kunnen nemen om een achterblijvende ontwikkeling te corrigeren zoals volken opruimen, verenigen, versterken. 
  • Leren om maatregelen te nemen om het bijenvolk gezond te houden zoals raatvernieuwing en varroabestrijding,
  • Meer kennis van en ervaring met allerlei deelaspecten van het houden van bijen zoals reizen, zwerm scheppen, volksvermeerdering met broedafleggers maken, verenigen van bijenvolken en honingoogsten.
  • Kennis en toepassing van eenvoudige koninginnenteelt. 
  • Kennis van het drachtgebied en de consequenties hiervan voor de imkerhandelingen

De inhoud van de cursus

Algemeen:
Bij deze cursus is de bijenteeltleraar leidend in die zin dat hij aangeeft welke basistheorie en basishandelingen aan de orde zijn, maar speelt de cursist een actieve rol. Omdat de cursus bedoeld is om de beginnende imkers te begeleiden zijn hun vragen en problemen in sterke mate bepalend voor wat er in de lessen aan de orde komt. Inventarisatie van hun vragen en evaluatie van de uitgevoerde handelingen zijn essentiële onderdelen van de lessen.

Theorie:
Tijdens de theorielessen speelt de cursist een actieve rol door de basistheorie zoals geleerd tijdens de basiscursus zich voor de les (opnieuw) eigen te maken en tijdens de les dit te bespreken middels vragen en discussie. Verder worden tijdens theorielessen de problemen van de cursisten met betrekking tot het onderwerp geïnventariseerd en wordt nagegaan of de theorie daarop een antwoord geeft en wordt besproken hoe dat in de praktijk uitgevoerd moet worden. De cursist zal dat ook uitvoeren in zijn eigen praktijk waarna dat in de volgende les geëvalueerd wordt.
Nieuwe onderwerpen zoals koninginnenteelt zullen eerst in collegevorm uitgelegd worden.
Omdat de theorie (kennis, inventarisatie problemen, beantwoorden van vragen) bedoeld is als ondersteuning van de praktijk is het nodig deze les te geven ruimschoots voor de uitvoering van de handelingen in de praktijk.

Praktijk:
Voor de praktijk zijn er diverse mogelijkheden afhankelijk van de te behandelende onderwerpen:

  • Er is een praktijkles met demonstratie en instructie door de bijenteeltleraar.
  • De praktijk wordt door de cursist zelf bij zijn eigen bijenvolken uitgevoerd en in de volgende les geëvalueerd..
  • De praktijk wordt door groepjes cursisten samen bij hun eigen bijenvolken uitgevoerd en in de volgende les geëvalueerd.

Literatuur:

  • Handboek praktijk , inclusief de aanvulling voor de voortgezette basiscursus.
  • Bijenhouden, hoe doe je dat?
  • Bijenhouden voor gevorderden

Uitgewerkt lesprogramma van de voortgezette basiscursus

Les 1 - Kennismaking omstreeks februari

  • Kennismaking met de cursisten. De cursisten laten vertellen hoeveel volken ze hebben en wat hun verwachtingen en wensen zijn ten aanzien van het hebben van bijenvolken en hun imkerpraktijk. 
  • Met de cursisten het imkermateriaal bespreken: wat is nodig voor de imkerpraktijk, wat moet klaar staan voor de eerste praktijkhandelingen.
  • De cursisten de drachtplante in hun omgeving laten inventariseren. Bepalen of er gereisd gaat worden naar dracht. Eventuele acties voor drachtbevordering in eigen omgeving.

Les 2 - Voorjaarsinspectie omstreeks half maart

Theorie:

  • Hoe ziet het bijenvolk er op dit moment uit (varroa, mul, wasplaatjes op de varrolade; aantal ramen bezet met bijen; aantal ramen voer, stuifmeel, BRIAS; kwaliteit van de raten.
  • Welke ontwikkeling kunnen we verwachten en hoe daarop in te spelen? Belang van inhangen van bouwraam om darrenbroed van te snijden bespreken.
  • Vragen van cursisten inventariseren en beantwoorden.

Praktijk in eigen bijenvolken:

  • Varrolade bekijken
  • Controle op volksgrootte, broed en voedselvoorraad. 
  • Merken van de koningin.
  • Oude, vieze raten uit met name de onderbak verwijderen en vervangen door kunstraat dan wel hele onderbak wegnemen.
  • Eventueel volk overhangen in schone kast.
  • Inhangen van bouwraam

Les 3 - Ruimte geven en zwermcontrole omstreeks eind maart

Theorie:

  • Evaluatie praktijk betreffende les 2. 
  • De voorjaarsontwikkeling en de verschillen daarin. Bespreking van de oorzaken van die verschillen (weer, dracht, eigenschappen van het volk) en hoe daarmee om te gaan. 
  • Vragen van cursisten inventariseren en beantwoorden.

Praktijk in eigen bijenvolken:

  • Ramen met overtollige wintervoorraden verwijderen en opslaan om te gebruiken bij het maken van de koninginnenaflegger/veger of broedaflegger.
  • Te veel aan voerramen vervangen door kunstraat.
  • Ruimte geven door erbovenop plaatsen van broed- dan wel honingkamers met ramen met kunstraat.
  • Nagaan wanneer de honingkamer te plaatsen (afhankelijk van grootte van het volk en dracht). 
  • Letten op signalen van zwermplannen.


Les 4 - Zwermverhindering en eventueel koninginnenteelt (naar keuze van de cursist) omstreeks half april

N.B. Zwermverhindering en koninginnenteelt worden hier op papier in een les behandeld, maar tijdens de cursus moet worden ingevuld hoe een en ander precies gaat verlopen.

Theorie:

  • Evaluatie hoe praktijk betreffende les 3 is verlopen. Vragen van de cursisten inventariseren en beantwoorden
  • Zwermplannen. Hoe waar te nemen anders dan door het zien van belegde doppen. Bespreking van de oorzaken van verschillen in tijd waarop zwermplannen zichtbaar worden(weer, dracht, eigenschappen van het volk) en hoe daarmee om te gaan. 
  • Verhindering van zwermplannen: koningin verwijderen, kunstzwerm maken. Vertragende invloed van broedafleggers op zwermplannen.

Koninginnenteelt met als doel om te imkeren met zachtaardige volken.
Beginnende imkers ontbreekt het vaak aan voldoende ervaring om succesvol met koninginnenteelt bezig te zijn terwijl ze minder zachtaardige volken als een probleem ervaren. Deze cursus is bedoeld om de beginnende imker op weg te helpen waarbij de imker zijn eigen leerweg bepaald door te kiezen welke vorm van koninginnenteelt hij wil gaan toepassen. De cursist kan er ook voor kiezen om geen koninginnenteelt ut te voeren maar klassiek doppen breken op de 13e dag.

Theorie over mogelijke vormen van koninginnenteelt en welke eisen dat stelt aan de imker.
Redcellen op een geselecteerd raam broed, doppenmethode (aangenomen doppen in pleegvolk; gesloten dop uit pleegvolk in hoofdvolk uit laten lopen; koninginnen uit een teelt invoeren in bevruchtingsvolkjes. Bespreken van het benodigde materiaal voor koninginnenteelt.

Uitgangspunt voor de bijenteeltleraar is de vraag van de cursist en zijn inschatting van wat bij hem past. Het kan dus zijn dat sommige cursisten kiezen voor redcellen op een raam geselecteerd broed en andere cursisten voor de doppenmethode. Het is aan de leraar om te inventariseren wat de wensen zijn en te organiseren hoe daaraan tegemoet gekomen kan worden. De rol van de leraar is vooral die van begeleider en vraagbaak dan wel probleemoplosser. Een goede organisatie is belangrijk.

Praktijk in eigen volken:

  • A: Zwermverhindering: kunstzwerm maken of koningin verwijderen, doppen breken op 13e dag. Later controle van de jonge koningin. 
  • B: Zwermverhindering en koninginnenteelt.
  • Productievolk wordt pleegvolk bij doppen breken op dag 6 – 10.
    - Koninginnenteelt met redcellen op raam geselecteerd broed.
    - Koninginnenteelt met aangeboden larfjes.

Het is niet noodzakelijk dat alle cursisten of groepjes cursisten hetzelfde doen. Cursisten schatten hun eigen mogelijkheden in en handelen daarnaar onder begeleiding van de leraar.

Les 5 - Controle van de jonge moer, varroabestrijding met oxaalzuur/mierenzuur, opbouw van de honingvoorraad door de bijen omstreeks eind mei

Theorie:

  • Evaluatie hoe praktijk betreffende les 4 is verlopen. 
  • Signalen waaruit de imker kan afleiden dat er wel of geen leggende koningin in het volk aanwezig is en hoe te handelen
  • Varroabestrijding op maat. In de praktijk wijken veel imkers af van het 3-gangen menu: ze zien het nut ervan niet in of vinden het te gevaarlijk dan wel te bewerkelijk. Discussie over methoden en of op basis van het vaststellen van de natuurlijke mijtval afgeweken kan worden van het 3 gangen menu
  • Bepaling wanneer honing geoogst kan worden, hoe te oogsten en te slingeren
  • Vragen van de beginnende imker inventariseren en beantwoorden.

Praktijk met eigen bijenvolken:

  • Controle aanwezigheid leggende jonge moer. Bij afwezigheid van broed de juiste handelingen toepassen
  • Varroabestrijding met het sproeien van oxaalzuur.
  • Eventueel oogsten van de voorjaarshoning

Les 6 - Honing oogsten, zomerverzorging. varroabesmetting,omstreeks eind juni.

Theorie:

  • Evaluatie (Indien mogelijk ) hoe praktijk betreffende les 5 is verlopen. 
  • Ontwikkeling van het bijenvolk in nazomer en herfst. Ontstaan van langlevende bijen (winterbijen) o.a. door het afnemen van het broednest. ‘Stimulerende’ maatregelen van de imker verstoren dit proces. Een late dracht in een late nazomer heeft geen invloed op dit proces.
  • Theorie van de stille moerwisseling.
  • Theorie van het verenigen vab bijenvolken. (krant, over hangen, in laten lopen)

Praktijk eigen bijenvolk:

  • Oogsten, slingeren en verdere verzorging van zomerhoning. Opbergen raten. Was smelten.
  • Voersituatie controleren na afname van zomerhoningvoorraad , bijenvolken voeren.
  • Varroabestrijding: bestrijden met mierenzuur in augustus en september. 
  • Vragen van de beginnende imker inventariseren en beantwoorden.

Les 7: Najaarsverzorging, omstreeks begin augustus.

Theorie:

  • Evaluatie (Indien mogelijk ) hoe praktijk betreffende les 6 is verlopen. 
  • Theorie: Hoe sterk moeten bijenvolken zijn om succesvol te overwinteren. Bepaling volksterkte. In het voorjaar reageren bijenvolken zo dat het broednesten maximaal groeit. In het najaar reageert het bijenvolk zo dat er maximaal veel langlevende bijen ontstaan onder andere door het broeden te beperken.

Praktijk op eigen bijenstal:

  • Inwinteren (hoeveelheid, hoe te voeren) 
  • Varroabestrijding met oxaalzuur sproeien/verdampen
  • Vragen van de beginnende imker inventariseren en beantwoorden.

Les 8 - Eind bijeenkomst met bespreking van het afgelopen imkerjaar, resulterend in tips voor het volgende jaar als zelfstandig imker. Honingkeuring.