12-02-2019

8. Juli: de zomerse honingoogst

Nederland kent twee hoofddrachten, te weten het voorjaar en het begin van de zomer. De maanden april en juni zijn de maanden, waarin de dracht zeer uitbundig kan zijn. Natuurlijk moeten de weersomstandigheden en de bodemgesteldheid ook gunstig zijn. Op deze voorjaars- en zomeroogst heb je natuurlijk tal van lokale uitzonderingen. Vooral de land- en tuinbouw bieden vaak aanvullende drachten. In de nazomer zou je nog naar de heidevelden kunnen reizen. Een dracht, die honderd jaar geleden nog als belangrijkste dracht in Nederland werd gezien. Helaas is veel heide verloren gegaan ten gunste van de landbouw en stedelijke uitbreidingen. 

In het voorjaar gebruiken de volken de dracht over het algemeen om hun aangesproken wintervoorraden te herstellen en het volk in omvang te laten groeien. Het volk moet herstellen van de winter en grote aantallen bijen opbouwen om de voortplanting (het zwermen) mogelijk te maken en daarna de zomerdracht binnen te halen.

De zomerdracht begint tegenwoordig in juni en eindigt in de regel begin juli. Vroeger viel deze dracht circa 3 weken later. De zomer bestaat vooral uit lindebloesem en tamme kastanjebloei, aangevuld met braam en witte klaver. 

Zowel het voorjaar als de zomer leveren vaak meer dan voldoende honing op voor het overbruggen van de minder rijke drachtperioden en de herfst en winter. Ook in slecht weer perioden vallen de bijen terug op hun voorraden. De voorraden zijn vaak zo groot, dat het verantwoord is om een deel te oogsten voor menselijke consumptie. Laat altijd tenminste 6 tot 8 kilo als reservevoorraad achter voor slecht weer perioden. Voor de herfst en winter is tenminste 14 tot 20 kilo reserve nodig om het volk te overwinteren. 

In deze video zie je het plaatsen van een uitlaatbord en het bijvoeren voor de afname van de honingopbrengst.

De bijen verzamelen nectar, stuifmeel, water en kithars. Stuifmeel wordt opgeslagen in de vorm van bijenbrood. Nectar moet ingedampt worden ter voorkoming van gisting. Zodra de honing rijp is, kan deze deels geoogst worden. Je kunt de honing natuurlijk ook in de bijenkasten achterlaten. 

De rijpheid (oogstbaarheid) van de honing kun je op drie manieren vaststellen:

  1. De verzegeling: Indien tenminste 65% van de honingcellen verzegeld is met witte was, dan is de honing voldoende rijp om te oogsten;
  2. De stootproef: sla met je hand stevig op een kant van het raam met deels open honing. Spettert er geen nectar uit, dan is de honing rijp genoeg om te oogsten;
  3. Meting: met een refractometer kun je het watergehalte vaststellen van honing. Honing mag niet meer dan 20% water bevatten. Dit is af te lezen op de refractometer. Voor heidehoning geldt een percentage van 23%.

Na het slingeren van de honing blijft de honing nog drie dagen rusten in een emmer, zodat lucht- en wasdeeltjes naar boven kunnen drijven. Deze kun je met een spatel na drie dagen afnemen. Dit proces wordt het klaren van de honing genoemd. Het honingschuim kun je eventueel weer terugvoeren aan de bijen of voor eigen gebruik benutten. Na het klaren is de honing klaar om er potten mee af te vullen en te voorzien van een eigen honingetiket. Denk wel aan de specifieke voorwaarden, die de NVWA stelt aan de etikettering. 

Ben Som de Cerff, hobby-imker en docent bijenteelt

 

Reacties

Momenteel zijn er nog geen reacties, wees de eerste!

Uw reactie

Vink onderstaand controlevakje aan tegen spamrobots

Blijf op de hoogte

Wilt u automatisch een e-mail ontvangen zodra Ben Som de Cerff een nieuw blogbericht heeft geplaatst?
Meldt u zich dan hier aan.