Gesprek met Commissie Landbouw

De honingbij hoort erbij

Een afvaardiging van zes personen van de NBV is op woensdag 11 juni 2008 (15.00-16.00 uur) door de Vaste Commissie Landbouw van de Tweede Kamer gehoord naar aanleiding van de toestand van de bijenhouderij in Nederland.
Onze voorzitter Jan Dommerholt heeft een reëel beeld trachten neer te zetten van de minder florissante situatie, waarin de imkerij zich in Nederland bevindt. Een imkerij, die een belangrijke schakel is in de voedselketen met een jaarlijkse toegevoegde waarde van meer dan 750 miljoen euro.
Ook heeft hij aangegeven, dat er volop kansen zijn om samen met de landelijke overheid de imkerij weer op de kaart te zetten in Nederland. Kansen zoals nieuwe imkers, vitale bijenvolken, drachtverbetering (linde ook in de Nederlandse bossen) en meer praktijkonderzoek en voorlichting over bijen voor de imker aan de basis.
Daarvoor hebben we een dringend beroep gedaan op de landelijke politiek voor een minimale steun van 1 miljoen euro op jaarbasis.
Na de inleiding van onze voorzitter zijn door de kamerleden volop vragen gesteld, waarop onze delegatieleden een antwoord hebben gegeven.
Aan de hoorzitting met de Tweede Kamer hebben we terugkijkend een goed gevoel overgehouden.
Het past in het beleid om naar buiten toe de imkerij te presenteren als een moderne hobby, die van groot belang is voor de Nederlandse samenleving: de honingbij hoort erbij.
Winst is alleen al, dat we als landelijke bijenhoudersorganisatie op het Binnenhof in Den Haag een luisterend oor hebben gevonden.
De politiek is nu aan zet.

Namens het HoofdBestuur
Rob Nijman, secretaris

Voordracht Jan Dommerholt

Geachte voorzitter en leden van de commissie Landbouw

Mag ik me eerst aan u voorstellen. Mijn naam is Jan Dommerholt en ik ben voorzitter van de NBV (de Nederlandse BijenhoudersVereniging). Ik wil u allereerst bedanken dat we hier de gelegenheid krijgen om de situatie van de bijenhouderij in Nederland toe te lichten.
Als NBV vertegenwoordigen wij 90% van de ca. 6500 georganiseerde imkers van Nederland, die samen ongeveer 50.000 bijenvolken verzorgen.
Natuurlijk weet u iets van de honingbij maar om even uw kennis wat op te frissen geef ik een korte inleiding over de honingbij.

Zoals u weet leeft de honingbij in een kolonie met aan het hoofd een koningin. De bijen verzamelen stuifmeel en nectar op de bloemen van planten en bomen. Van de nectar maken zij honing. Het stuifmeel is de eiwitbron voor de bij. Tijdens het bezoek van de bij worden de bloemen bestoven zodat er vruchtzetting komt.

Van de 6500 imkers in Nederland zijn nog slechts een 15-tal imkers als beroepsimkers actief. Zij voorzien in hun broodwinning door het verhuren van bijenvolken voor de bestuiving vooral bij de commerciële zaadteeltbedrijven en de fruittelers of zij zijn in dienst van deze zaadteeltbedrijven. Het overgrote deel van de imkers houdt bijen als hobby en zijn hobbyimkers. Zij leveren ook een professionele prestatie als ze bijen verhuren voor de bestuiving van het fruit of andere landbouwgewassen zoals aardbei, zwarte en rode bes, en augurk. Elke imker is dus een bestuivingsimker.

Als bijen ingezet kunnen worden voor zaadteelt en de bestuiving van landbouwgewassen dan hebben ze ook hun nut in het openbaar groen van steden en dorpen. In een straal van vijf km rond het bijenvolk bestuiven de honingbijen bloemen in de particuliere tuin, de bomen en struiken in het park, tuinbouwgewassen in de volle grond in het buitengebied en de wilde planten in natuurgebieden. Een bijzondere paradox: een hobbyist met een professionele prestatie.

Het beeld van de Nederlandse imkerij kenmerkt zich door een teruglopend aantal imkers en ook een kleiner wordend aantal bijenvolken. Dit in tegenstelling tot andere sectoren van de landbouw waar ook het aantal boeren en tuinders af neemt, maar de productie overeind blijft. Eigenlijk is dit al sinds 1984 gaande. Direct na de Tweede Wereld Oorlog waren er een 32.000 imkers georganiseerd. Dat nam ras af tot een dieptepunt in 1967 met 7100 imkers. Tot 1984 was er weer een toename maar daarna ging het gelijkmatig naar beneden met momenteel een 6500 georganiseerde imkers.
Bovendien vergrijst de imker. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse imker ligt tegen de zestig jaar. Alleen al om het aantal imkers op peil te houden is instroom van nieuwe imkers zeer noodzakelijk.

Een ander knelpunt in de bijenhouderij is de sterfte onder bijen. In de pers heeft dit de afgelopen winter veel aandacht gehad. Wintersterfte is normaal. Ieder jaar heeft de imker in het voorjaar zo´n 10% minder volken. In de zomer wordt dit weer aangevuld. Echter dit jaar, maar ook in 2006, lag de sterfte veel hoger. De gemiddelde sterfte zal tegen de 20% liggen, maar verschilt van streek tot streek, in sommige streken geen hogere sterfte, maar in de kustprovincies 40% dode volken. Een alarmerende toestand omdat er minder bijen zijn die voor de eerder genoemde bestuiving zorgdragen en het tevens een persoonlijk drama voor de getroffen imkers is. Deze vorm van sterfte onder bijen, ook wel de verdwijnziekte genoemd, beperkt zich niet tot Nederland.

Ook in onze nabuurlanden en in de VS verdwijnen de bijen massaal. In Denemarken heeft men dit jaar te maken met 50% sterfte. Onderzoekers denken dat het te maken heeft met de van nature niet op de honigbij voorkomende Varroa mijt. In het begin van de jaren ´80, zo´n 25 jaar geleden, is deze mijt uit Azië op onze honingbij overgesprongen. Bestrijding van de mijt vond aanvankelijk plaats met chemische, maar nu voornamelijk met biologische middelen, zoals mierenzuur en andere in de natuur voorkomende zuren. Het is een continue bestrijding van de Varroa mijt. Naar de verdwijnziekte wordt in Nederland, zij het op zeer bescheiden schaal onderzoek gedaan door het voormalige onderzoekinstituut, PPO-bijen en door de Stichting tot Bijenonderzoek van mevrouw van der Zee.
In het internationale en Nederlandse onderzoek heeft men nog niet aan kunnen tonen welke fenomenen veroorzaken dat de bijen de kast uitvliegen en niet weer terugkeren.

Zoals ik eerder betoogde is de algemene maatschappelijke betekenis van de bijenhouderij onomstreden: Zij is van essentieel belang zowel voor de voedselproductie als voor het in stand houden van de planten en plantensoorten in de natuur, tuinen en parken. Het belang van de honingbij komt goed tot uitdrukking als we het in relatie zien met de productie van ons voedsel. Honingbijen zijn hierin een onmisbare schakel.
Voedingsgewassen in Nederland die voor meer dan 80% afhankelijk zijn van honingbijen zijn:
- appel
- aalbes
- aardbei
- courgette
- framboos
- kers
- blauwe bes
- koolzaad
- peer
- pruim
- tuinboon

Nederland is een wereldspeler op het gebied van de zaadteelt en het ontwikkelen van nieuwe rassen van alle koolsoorten, asperges, komkommer, courgette, aubergine, prei, bloemenzaad etc.. Hier speelt de honingbij een belangrijke rol.

De geschatte waarde van de door de bijen bestoven land- en tuinbouwgewassen onder glas en in de volle grond ligt voor Nederland boven de € 750 miljoen op jaarbasis. Rekenen we dit om per bijenvolk, dan zien we dat één bijenvolk groente en fruit bestuift ter waarde van € 15.000 per jaar.
Onderzoek in Vlaanderen door prof. Jacobs van de Universiteit van Gent, een autoriteit op het gebied van onderzoek aan en met bijen, laat zien dat in de Europese Unie de honingbij de belangrijkste diersoort is na de koe en het varken. Dit als bestuivend insect in economische termen, te weten de toegevoegde waarde. Prof. Jacobs geeft dus zowel de maatschappelijk als de economische waarde van de honingbij aan.

In de vrije natuur wordt 80% van de planten bestoven door honingbijen. De honingbij is daarom van essentieel belang voor de biodiversiteit. Ahmed Djoghlaf, algemeen secretaris van de VN-conferentie voor Biologische Diversiteit, wijst erop, dat ongeveer tweederde van de voedselgewassen afhankelijk is van bestuiving door insecten, terwijl de bijenpopulatie wereldwijd verkleint. In het oosten van VS is het aantal bijenvolken met 70 % af genomen. Als bestuiving verdwijnt, verdwijnen ook plantensoorten. Als we een schakel missen, breekt de ketting. Aldus Djoghlaf.

De liberalisering van het landbouwbeleid en de zich daarbij terugtrekkende overheid heeft er toe geleid dat de meeste sectoren wel een weg gevonden hebben om zelf voor onderzoek en voorlichting te zorgen. Deze zich terugtrekkende overheid heeft de imkerij geen goed gedaan. Imkers zijn hobbyisten en in de imkerij gaan geen grote geldbedragen om. Al heeft de honingbij een grote economische betekenis, de imker profiteert daar niet van in de zin dat hij veel geld met zijn hobby verdient. Ook de bijenteeltorganisaties, zoals de NBV, hebben geen financiële middelen. Het is met een terugtrekkende overheid bijna geheel aan de bijenteeltorganisaties om te zorgen voor kennis en kennisoverdracht, onderzoek naar de vitaliteit van bijen en naar de infrastructuur betreffende de bijenhouderij. Opleiding van imkers en leraren bijenteelt dat voorheen gebeurde binnen het landbouwonderwijs is volledig overgenomen door de imkerorganisaties.
Het beleid en de uitvoering van de bestrijding van bijenziektes is geheel bij de sector terecht gekomen. Een sector, die de financiële middelen hiervoor ontbeert om er professioneel inhoud aan te geven.
Dat de middelen er niet zijn is niet zo vreemd. Het overgrote deel van de imkers heeft bijen als hobby, de bijen zorgen voor bestuiving van planten voor de voedselproductie, in natuur, tuin en park. Gaan ze met hun bijen naar het fruit voor de bestuiving, dan ontvangen ze een verhuurprijs, een kleine onkostenvergoeding.
Voor imkerorganisaties is het dan ook ondoenlijk om bij deze imkers, haar leden een substantiële bijdrage te vragen voor noodzakelijk onderzoek en voorlichting. Momenteel geschiedt alles door en met vrijwilligers.

Steun van de Nederlandse overheid voor de gehele bijenhouderij in Nederland is marginaal. Op landelijk niveau wordt op jaarbasis € 300.000 verstrekt aan de Universiteit van Wageningen voor onderzoek naar onderwerpen gerelateerd aan de bijenhouderij. De helft van het geld komt uit het onderzoekprogramma “honing” van de EU-commissie. De andere helft is cofinanciering van het ministerie van LNV. De WUR stelt hier drie formatieplaatsen voor beschikbaar.

Wij doen een dringend beroep op de overheid om samen met de imkerorganisatie haar verantwoordelijkheid te nemen in het scheppen van voorwaarden om te komen tot een vitale imkerij voor Nederland.
Dat er wat moet gebeuren voor de bij in Nederland is duidelijk. En het moet ook nu. Mogen we het daarom een Deltaplan voor de honingbij noemen.
Het Deltaplan om een vitale honingbij in Nederland te behouden vraagt om de volgende acties: 

  • Intensivering van onderzoek naar vitale bijen en het achterhalen van de oorzaken van de wintersterfte.
  • Het opleiden van jaarlijks 500 imkers. Momenteel gebeurt dat door de imkerorganisaties. Voorheen was dat een onderdeel van het reguliere landbouwonderwijs. Eigenlijk moet het daar weer naar terug.
  • Optimalisering van de kennis over bestuiving en dit aanbieden aan bestuivingimkers.
  • Thematische voorlichting aan de huidige imkers over hoe de bijenvolken vitaal worden gehouden.
  • Van essentieel belang is het verbeteren van de dracht. Op korte termijn is dat mogelijk door samenwerking met agrariërs en gemeentelijk groendiensten om te komen tot meer drachtplanten en ook een breder assortiment en diversiteit.

Op lange termijn: ter vergroting van de biodiversiteit substantiële is uitbreiding nodig van het assortiment planten dat wordt bestoven door insecten zoals vlinders, hommels, solitaire bijen, sluipwespen en honingbijen. Voor de imker zijn dat de zgn. drachtplanten.
In landschappelijke beplantingen van Staatsbosbeheer, provinciale schappen, Rijkswaterstaat, provinciale waterstaat en gemeentelijke plantsoenen zou veel nadrukkelijk gekeken moeten worden naar de waarde die de plant heeft voor bestuivende insecten.
Onlangs hebben vier bosbouwdeskundigen een pleidooi gehouden om in onze bossen de linde weer een kans te geven. Oorspronkelijk was het natuurbos in Nederland een lindebos. Het lindewoud heeft het voordeel dat de bodem eronder rijker wordt, dat er weer onderbegroeiing komt. Voor de bij is dit een gewaardeerde plant. Dus als voorbeeld: weg van het eik-berk-beuk denken en terug naar het lindewoud. Dit is ook de titel van het boekwerk van de vier bosbouwers.
In groene beplantingen van overheid en semi-overheid kan het verhogen van het percentage dracht/insectenplanten tot 50% van het assortiment een enorme toename van de biodiversiteit teweeg brengen. Gevarieerde beplanting staat aan de basis van de biodiversiteitpiramide en het kan budgettair neutraal zijn als bij nieuwe beplantingen bijvoorbeeld een linde in plaats van een eik komt.

Om dit Deltaplan mogelijk te maken vragen we aandacht van de overheid. Om de activiteiten uit te voeren zal het huidige LNV budget van ca € 150.000,-- aanmerkelijk moeten worden uitgebreid. Voor een Deltaplan t.b.v. de bijenhouderij zal structureel een bedrag van 1 miljoen euro of meer op jaarbasis nodig zijn voor de financiering van de genoemde activiteiten.
Het buitenland ontdekt nu ook dat er wat moet gebeuren. Zeer recent heeft de minister van landbouw in Duitsland, de heer Gert Lindemann € 1,5 miljoen uitgetrokken voor onderzoek naar bijenziekten. Het onderzoek zal worden uitgevoerd in de universiteiten van Hohenheim en Bochum. Het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft een convenant met de Vlaamse imkerorganisaties gesloten om intensief naar de bijen problematiek te kijken met als pilots meer bijenbloemen vooral in het najaar en de oprichting van een Praktijkcentrum Bijenteelt.

Gezien het maatschappelijke en economische belang van de honingbij vinden wij het wenselijk om als sector twee maal per jaar overleg te hebben met de minister.van LNV. Het huidige ambtelijke overleg is onvoldoende om te zorgen voor een substantiële vergroting van de aandacht van het ministerie voor deze essentiële sector in de land- en tuinbouw.

Wageningen, 11 juni 2008.
J. Dommerholt,
Voorzitter NBV